Een competentie bestaat uit vier elementen: de kennis (het ‘weten’), de vaardigheden (het ‘kunnen’), de motivatie (het ‘willen’) en de persoonskenmerken (het ‘zijn’).
Anders dan bij taak- of functiebeschrijvingen wordt bij competenties sterk gekeken naar het werkelijk gewenste gedrag van mensen. En wanneer iemand bekwaam of competent is, blijkt dat uit zijn gedrag, maar ook uit de juiste kennis, persoonlijkheid en motivatie.
Binnen een specifieke competentie hebben de vier elementen een verschillende zwaarte. Zijn de competenties op de taak gericht, dan ligt het accent vaak op kennis en vaardigheden. Zijn de competenties gericht op de omgeving of op de organisatie, dan hebben de motivatie en persoonskenmerken vaak een sterk aandeel. Bovendien verschilt de invulling van bijvoorbeeld de competentie Servicegerichtheid voor een medewerker in een kleine supermarkt met die van een medewerker bij de Helpdesk binnen een grote financiële instelling.
De competenties zijn verdeeld in vier groepen:
▪ persoonsgerichte competenties;
▪ taakgerichte competenties;
▪ organisatiegerichte competenties;
▪ omgevingsgerichte competenties.
|